Paarden en pony’s

Paarden hebben mijn bijzondere interesse. Naast actief ruiter ben ik ook erkend paardendierenarts. Dat wil zeggen dat ik me extra heb verdiept in de geneeskunde van het paard. Door mijn practische ervaring en aanvullende studie heb ik een goed inzicht in de manier waarop paarden gehouden worden en de eventuele problemen die daar mee samenhangen.
Voor advies over onder andere voeding, beweiding en een juiste ontwormingsstrategie kunt u bellen tijdens het telefonisch spreekuur.
Daarnaast is vruchtbaarheidsbegeleiding, waaronder drachtigheidsonderzoek een van de activiteiten.

Vaccinaties
Influenza (griep) is een virusinfectie van de voorste luchtwegen. Net als bij het humane griepvirus zijn er meerdere stammen die voortdurend kunnen veranderen. Vaccins worden daarom regelmatig aangepast. Preventie van influenza kan door middel van vaccinatie.

Tetanus (klem) is een bacteriele infectie waarvoor alle paardachtigen zeer gevoelig zijn. De infectie verloopt bij paarden bijna altijd dodelijk. Veulens die bijvoorbeeld door een navelinfectie de bacterie oplopen, krijgen vreselijke krampen en hevige pijn. Allerlei wonden bij paarden zijn gevoelig voor deze bacterie. De tetanusbacterie is 'overal'  aanwezig vooral in paardenmest en in aarde. Als je ooit een paard met tetanus hebt gezien wens je deze infectie aan geen enkel paard toe!
Een veulen uit een goed gevaccineerde merrie krijgt met de biest antistoffen binnen die ruim 4 maanden bescherming geven. Preventie van tetanus kan zeer eenvoudig door middel van vaccinatie. De meeste influenzavaccins zijn gecombineerd met een tetanusvaccin. Het is een goed advies om deze vaccinatie bij uw dieren te laten geven, ook bij paarden, pony's en ezels die niet of nauwelijks met andere paarden in contact komen!

Influenza en tetanus vaccinatieschema:

1e vaccinatie

basisvaccinatie
3e vaccinatie
jaarlijks

:veulens kunnen vanaf de leeftijd 5-6 maanden
 de eerste vaccinatie krijgen
:een tweemalige vaccinatie met 4-6 weken tussentijd
:5 maanden na de basisvaccinatie
:herhalingsvaccinatie (binnen 12 maanden)

Het advies is om drachtige merries in de 2e helft van de dracht te hervaccineren om een optimale hoeveelheid antilichamen aan het veulen mee te geven met de biest.

Rhinopneumonie is een virusinfectie die bij voornamelijk jonge paarden griepachtige verschijnselen veroorzaakt, maar ook verlammingsverschijnselen kan geven. Bij drachtige merries kan deze infectie abortus veroorzaken. Vaccinatie biedt geen bescherming tegen de verlammingsverschijnselen. Om abortus te voorkomen is het gescheiden houden van jonge dieren en drachtige merries zeer belangrijk. Drachtige merries in een risico omgeving
kunnen gevaccineerd worden, daarbij moet een intensief vaccinatieschema gevolgd worden

Ontwormen
Het ontwormen van paarden, pony's en ezels is maatwerk: een standaardschema is niet meer te geven. De omstandigheden waaronder de dieren gehouden worden zoals weidegang, omweiden, andere dieren en mest verwijderen, bepalen de mate van een besmetting en dus de wijze waarop ontwormd moet worden. 
Indien dagelijks of minstens 2 x per week de mest uit de weide verwijderd wordt is de kans op een infectie met maagdarmwormen een stuk kleiner.
De laatste jaren blijkt ook in Nederland steeds meer resistentie tegen bepaalde ontwormingsmiddelen voor te komen, dit wil zeggen dat bepaalde wormmiddelen niet meer werkzaam zijn tegen bepaalde wormsoorten. In veel gevallen wordt er te frequent ontwormd en niet met de juiste dosering waardoor resistentie van maagdarmwormen gemakkelijker kan optreden.        
Maar een interessant positief gegeven is dat met name oudere dieren weerstand ontwikkeld kunnen hebben tegen maagdarmwormen, zodat deze geen schade meer kunnen aanrichten in het lichaam, ontwormen tegen maagdarmwormen is dan niet meer noodzakelijk.

Om goed inzicht te hebben in de mate van besmetting is een mestonderzoek met eitelling de beste methode. Indien zo'n onderzoek bij een volwassen paard drie opeenvolgende keren negatief is heeft het betreffende dier waarschijnlijk voldoende weerstand tegen maagdarmwormen. Bij gelijkblijvende omstandigheden is een behandeling tegen maagdarmwormen dan niet nodig. Tegen lintwormen is het advies om paarden 1 x per jaar te behandelen in de winterperiode, een besmetting met horzellarven wordt dan meteen aangepakt.

Wormeitellingen met de McMaster methode kunnen op de praktijk verricht worden: een paar ballen verse mest die liefst de grond niet geraakt hebben zijn daarvoor voldoende.
 
Jonge paarden moeten goed in de gaten gehouden worden: veulens lopen met de biest ook larven van de veulenworm op en moeten hun eerste ontworming op 14 dagen leeftijd ontvangen. Veulens en jonge paarden zijn ook gevoeliger voor de spoelworm (Parascarus) en de rode bloedworm. Veulens moeten op 4 maand leeftijd hun 1e behandeling tegen spoelwormen krijgen. Pas op: bij de spoelworm komt steeds meer resistentie tegen bepaalde ontwormingsmiddelen met ivermectine voor. Preventie van de ernstige gevolgen van rode bloedworm infecties vraagt in het najaar en het vroege voorjaar extra aandacht.